Vermeng afdwingen schuldregeling niet met voorkomen ontruiming
Rechter wijst dwangakkoord af, hulpvrager verliest woning
Instemmen met een schuldregeling betekent niet dat een verhuurder ook af moet zien van huisuitzetting. Het aan elkaar knopen van die twee onderwerpen in een dwangakkoord werkt niet, bleek recent bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De uitspraak is opgenomen in ons jurisprudentie-overzicht.
In het kort
Deze uitspraak leert je dat een dwangakkoord niet als hefboom gebruikt kan worden om ontruiming tegen te gaan. En: instemming met een minnelijke regeling betekent niet 'afzien van ontruiming'. Verder wordt hieronder duidelijk dat ook een hulpvrager die onder bewind staat, zelfstandig gerechtelijke procedures mag voeren.
Een huurder met 30.000 euro schuld (deels achterstallige huur) kreeg van zijn verhuurder te horen dat die instemde met een schuldregeling, maar dat het huurcontract ontbonden zou worden. Dat vond de huurder niet hetzelfde als ‘instemmen met een schuldregeling’, en dus vroeg hij de rechter een dwangakkoord op te leggen inzake een schuldregeling én voortzetting van de huurovereenkomst.
Toestemming huurbeëindiging al eerder verleend
De rechter wees dat verzoek op 19 november 2025 af. Daarop ging de huurder in hoger beroep. Dat diende op 14 januari. In de tussentijd diende er op 22 december een executie-kortgeding. Daarin spraken de partijen af: als de verhuurder in het hoger beroep gelijk krijgt, moet de huurder binnen een maand na de uitspraak vertrokken zijn. Krijgt de huurder gelijk, dan mag hij in de woning blijven tot zijn minnelijke schuldregeling voltooid is (5 februari 2027), maar daarna moet hij alsnog vertrekken.
Dit executie-kortgeding bouwde voort op een eerdere uitspraak van februari 2025 waarin de rechter de verhuurder al toestemming had gegeven de huurovereenkomst te ontbinden. In diezelfde maand ging de huurder overigens in beschermingsbewind.
Procederen: bewindvoerder of cliënt?
De verhuurder probeerde tijdens het hoger beroep nog de huurder niet-ontvankelijk te verklaren, omdat volgens de verhuurder niet de huurder maar diens beschermingsbewindvoerder het hoger beroep had moeten instellen.
Daar was het gerechtshof het niet mee eens. ‘Een dergelijk verzoek kan niet worden beschouwd als een daad van beheer over de onder bewind staande goederen’, vond de rechtbank. Het ‘behoort niet tot de in art. 1:441 BW bedoelde taak van de beschermingsbewindvoerder’. Het gerechtshof sprak ook uit: ‘Evenmin kan worden aangenomen dat de schuldenaar slechts samen met de beschermingsbewindvoerder bevoegd is om een dergelijk verzoek in te dienen.’
Dwangakkoord gaat niet over ontruiming
Het gerechtshof oordeelde over het verzoek zelf als volgt: de verhuurder stemt wel degelijk in met het dwangakkoord. Want 'het dwangakkoord ziet alleen op de weigering van een (financieel) schuldakkoord. Geschillen over de ontruiming van een woning vallen niet onder het bereik van deze dwangakkoord-procedure. Daarvoor bestaan andere regelingen, waaronder de moratoriumregeling (artikel 287b Fw) en het executiekortgeding', aldus het gerechtshof.
Belangenafweging niet van toepassing
De gedupeerde huurder voerde nog aan dat het gerechtshof een afweging zou moeten maken tussen zijn belang om onderdak te hebben en het belang van de verhuurder. Maar ook die vlieger ging niet op.
'Het hof overweegt dat pas aan een belangenafweging in het kader van artikel 287a Fw wordt toegekomen nadat is vastgesteld dat sprake is van een weigerachtige schuldeiser. Zoals hiervoor is overwogen, is daarvan in dit geval geen sprake. Het hof komt dus niet toe aan een belangenafweging', aldus de uitspraak.
EINDE