De NVVK herpubliceert notitie over immateriële schadevergoeding
Smartengeld in de schuldregeling: tijd voor een nieuw gesprek
Moet een slachtoffer dat tijdens een schuldregeling smartengeld ontvangt, die vergoeding volledig afdragen aan schuldeisers? Het is een vraag die opnieuw aandacht verdient. Een recente bijdrage van Mariëlle Migchels-van Beek in het Tijdschrift voor Schuldsanering (TvS) vormt daarvoor een waardevolle aanleiding. De NVVK grijpt het moment aan om haar notitie over smartengeld opnieuw onder de aandacht te brengen.
Het juridisch uitgangspunt
Het juridische kader is helder. Zowel in de Wsnp als in het minnelijk traject behoort een vordering op immateriële schadevergoeding tot het vermogen van de schuldenaar. Dat betekent dat de vergoeding in beginsel te gelde moet worden gemaakt ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Recente jurisprudentie bevestigt dit uitgangspunt, dat teruggaat op een uitspraak van de Hoge Raad uit 2006.
Een vergoeding met een bijzonder karakter
Daarmee is de maatschappelijke discussie echter niet beëindigd. Smartengeld heeft namelijk een bijzonder karakter: het is geen inkomen of vermogenswinst, maar een erkenning van leed dat iemand is aangedaan. Denk aan slachtoffers van ernstige gewelds- of zedenmisdrijven, of aan mensen met blijvend letsel. Wanneer zo'n vergoeding volledig in de boedel verdwijnt, kan dat voelen alsof ook die erkenning wordt weggenomen.
Juist om die reden ontwikkelde de NVVK enkele jaren geleden een notitie die ruimte biedt om in uitzonderlijke en schrijnende situaties een deel van het smartengeld buiten de schuldregeling te houden — mits zorgvuldig gemotiveerd en met instemming van de schuldeisers. Daarbij wordt nadrukkelijk gezocht naar een evenwicht tussen de belangen van schuldeisers en die van het slachtoffer.
Aansluiting bij de oproep van Migchels
Deze benadering sluit aan bij de oproep die Migchels-van Beek doet in TvS. Het debat zou niet moeten gaan over de vraag óf een schadevergoeding te gelde moet worden gemaakt — dat uitgangspunt staat vast. De vraag is eerder of het wenselijk is dat iedere euro van een schadevergoeding automatisch ten goede komt aan schuldeisers, ongeacht de aard van het leed of het doel van de vergoeding.
Waar de NVVK zich specifiek richt op het immateriële deel, trekt Migchels de discussie breder: naar de compensatie die ziet op de periode vóór en tijdens de Wsnp, ten opzichte van de periode ná de Wsnp. Een genuanceerde benadering doet meer recht aan de belangen van zowel schuldeisers als hulpvragers. Schuldeisers mogen verwachten dat zoveel mogelijk wordt afgelost. Tegelijkertijd is het verdedigbaar dat een slachtoffer een deel behoudt van een vergoeding die juist bedoeld is als erkenning van blijvend persoonlijk leed. De huidige praktijk biedt daarvoor in het minnelijk traject al beperkte mogelijkheden, maar de rechtsontwikkeling laat zien dat verdere duidelijkheid welkom is.
Een uitnodiging tot gesprek
Het artikel van Migchels-Van Beek is daarmee een uitnodiging aan wetgever, rechtspraak en de schuldhulpverlening om opnieuw na te denken over de plaats van immateriële schadevergoedingen binnen de schuldregeling. De NVVK roept haar leden op om het juridische uitgangspunt te combineren met oog voor de belangen van zowel schuldeisers als hulpvragers, en in situaties waar dat gerechtvaardigd lijkt het gesprek met schuldeisers aan te gaan. De NVVK-notitie over smartengeld kan daarbij als hulpmiddel dienen.
Raadpleeg de NVVK-notitie smartengeld.